• > Het glazen hoofdgebouw van het NAi.

    Jo Coenen heeft in zijn ontwerp voor het NAi de verschillende functies van het instituut ondergebracht in verschillende bouwdelen die samen een harmonisch geheel vormen. Het is een ensemble geworden dat zich naadloos voegt in de omgeving en een relatie aangaat met omliggende gebouwen.

    Kerntaken
    Het nieuwe architectuurinstituut had drie kerntaken geformuleerd om tot een programma van eisen te komen voor het gebouw. Het verzamelen, beheren en toegankelijk maken van archieven en collecties – inclusief bibliotheek -, het bestuderen van dit materiaal en het volgen van actuele ontwikkelingen, en het uitdragen van de kennis die dit alles oplevert in de vorm van tentoonstellingen, publicaties en manifestaties.

    Afzonderlijke bouwwerken
    Coenen heeft voor elk van die taken een afzonderlijk bouwwerk ontworpen, met toevoeging van een vierde gebouwdeel dat bedoeld was voor de publieksfuncties, met een café, boekwinkel en auditorium. Het archief is ondergebracht in een langwerpig, licht gekromd gebouw van 200 meter lang, opgetrokken uit beton en aluminiumkleurig en rood golfplaat. Het is enigszins ‘opgetild’ om het minder massief te laten lijken. Daardoor is de arcade onder het gebouw ontstaan. De tentoonstellingsruimte is een vierkante gesloten doos van bruinpaarse baksteen.

    Harmonieuze compositie
    De kern van het gebouw wordt gevormd door een hoog glazen gebouwdeel, waarin de studiezaal en de kantoren gevestigd zijn. Half gedraaid ten opzichte van dit bouwdeel en loodrecht op het archiefgebouw, bevindt zich onder het hoofdgebouw een platte doos met daarin de publieksruimten. Die verschillende delen heeft Coenen zo weten te componeren dat ze een vanzelfsprekende eenheid vormen. Het is een harmonieuze compositie van kleuren en materialen, waarin het roodbruin van baksteen, het blauwgrijs van beton, de doorzichtige glittering van glas en de zilverachtige glans van metalen, elk van de bouwlichamen een ander karakter verleent.

    Situering
    Een van de sterkste punten van het ontwerp is de stedenbouwkundige situering: de inbedding in de omgeving. De bouwdelen zijn zo geplaatst dat zij in hun onderlinge relaties de aanwezige hoofdrichtingen van het park bevestigen en versterken. Het archiefgebouw volgt de kromming van de Rochussenstraat, en vormt zo de begrenzing van het Museumpark. Het hoofdgebouw volgt de richting van het park, terwijl de doos met publieksruimten naar Museum Boijmans wijst. Een breed grindpad dwars door het park had het NAi moeten verbinden met Museum Boijmans. Dat het gebouw toch iets geïsoleerder in zijn omgeving ligt dan oorspronkelijk de bedoeling was, komt omdat er geen directe aansluiting op het park mogelijk was: de gemeente Rotterdam wilde dit deel onder geen beding autovrij maken, waardoor een weg het gebouw van het park afsnijdt. Daardoor ligt het NAi áán het park, in plaats van ín het park.


    > Het NAi in aanbouw, gesitueerd aan het Museumpark, 1993.

    Verwijzingen
    Kleur en materiaalgebruik verwijzen naar omliggende gebouwen. Zo heeft het tentoonstellingsgebouw dezelfde vorm en verhoudingen – een doos met ramen aan de begane grond – en dezelfde bruinpaarse kleur baksteen als Museum Boijmans van Beuningen. De pergola heeft dezelfde kleur als het groene koperen dak, en net als Boijmans heeft het NAi een glazen toren, het hoofdgebouw. De ‘dozerige’ vormen van de bouwdelen refereren aan de witte villa’s aan de Jongkindstraat. Verder zijn er verwijzingen naar de Rotterdamse havenarchitectuur door het gebruik van loopbruggen, railingen, water, staal, de kleuren groen en bruin, en in het zicht liggende installaties. De scherpe punt van het archiefgebouw wordt ook wel ‘de boeg’ genoemd.

    Contrasten
    De verschillende gebouwdelen contrasteren wat betreft de open- en geslotenheid en hebben zo elk een eigen karakter. Het gebouwdeel waar de archieven en een deel van de bibliotheekcollectie liggen opgeslagen is noodgedwongen gesloten van karakter. Als contrast staat daar het glazen hoofdgebouw tegenover met een transparante uitstraling. De tentoonstellingsruimte maakt buiten een gesloten indruk, maar vanbinnen is de ruimte juist zo open mogelijk gelaten. Bijvoorbeeld door het doorbreken van de drie verdiepingen, en de (oorspronkelijk) glazen wand waardoor je de ontvangstruimte in kunt kijken. Tegenwoordig is deze wand dicht gemaakt ten behoeve van de bewegwijzering.

    Gefilterd licht schijnt door de stoffen bespanning over de tentoonstellingsruimten.

    Lichtval
    Coenen heeft veel aandacht besteed aan de lichtval. Een afwisseling van direct, hard licht en indirect, zachter licht. Licht wordt gereflecteerd, of gefilterd, bijvoorbeeld door de stoffen bespanning over de tentoonstellingsruimten. In de grote tentoonstellingszaal komt licht binnen via een glazen gevel, maar ook door de reflectie van zonlicht in het water. Daarnaast zorgen betonnen wanden voor weerspiegeling van het licht. Bij ramen die verdiept in de gevel liggen zorgt het overstekende dak voor voldoende zonwering. Al deze variaties zijn bedoeld om bij het vele beton associaties met een parkeergarage te vermijden.