• Op 2 september 2006 opende het NAi een vestiging in Maastricht: NAi Maastricht. Er is 1400 m2 tentoonstellingsruimte gecreëerd in de Wiebengahal, aan de Avenue Céramique, vlak naast het Bonnefantenmuseum. Deze voormalige fabriekshal van de Societé Céramique kent een rijke geschiedenis en is, als vroeg voorbeeld van het Nieuwe Bouwen, ook architectuurhistorisch interessant.

    Aardewerk
    Societé Céramique, een aardewerkfabriek die later fuseerde met Koninklijke Sphinx, was een van de oudste en bekendste industrieën in Maastricht. De fabriek kende verschillende divisies; voor aardewerk, sanitair en vuurkleiartikelen, producten die aan de grootste hitte weerstand konden bieden.

    Sanitair
    De Wiebengahal was onderdeel van het Wiebengacomplex, dat bestond uit een hoog, veelbeukig productiegebouw met een oven waarin het keramiek gebakken werd, een glazuurhal met een oven voor de tweede brand, en een generatorgasfabriek die voor de brandstof zorgde. Het werd in 1912 gebouwd door architect en constructeur Jan Gerko Wiebenga ten behoeve van de sanitairproductie. De woningwet van 1902 had de vraag naar sanitair enorm doen toenemen. Het Wiebengacomplex maakte deel uit van de uitbreiding van de fabriek aan de zuidzijde van het terrein.

    Wiebengahal

    De Wiebengahal in aanbouw, 1912. Foto: Collectie Sociaal Historisch Centrum Limburg.Het Wiebengacomplex, kort na oplevering in 1912. Foto: Jan Gerko Wiebenga.

     

    Het Wiebengacomplex, kort na oplevering in 1912. Foto: Jan Gerko Wiebenga.

    Reparatie
    Het Céramique-terrein ligt aan de Oostelijke oever van de Maas, tussen het oude stadsdeel Wijck en het nieuw ontwikkelde, grootschalige Randwijck. Het gebied is in 1987 aangekocht door de gemeente Maastricht en ingericht naar een stedenbouwkundig ontwerp van Jo Coenen. Het voormalige fabrieksterrein was een enclave zonder functie die midden in de stad lag en de continuïteit ervan doorbrak. Coenens plan moest een schakel vormen tussen de twee zo verschillende stadsdelen. Het nieuwe Céramique, met woningen, winkels, kantoren en een museum, zou in een reparatie van de stad betekenen.

    Museum
    Terwijl het stedenbouwkundig plan van Coenen in ontwikkeling was, werd de discussie gevoerd of het industriële erfgoed op het Céramiqueterrein behouden moest worden. De gemeente Maastricht, die hechtte aan het industriële verleden van de stad, wilde de fabriekshallen van Wiebenga een culturele of museale functie geven. Onderzoek naar de mogelijkheden om in het tachtig jaar oude complex een museum te vestigen leidde tot de conclusie dat het gebouw bouwtechnisch en bouwfysisch niet geschikt was om een modern, goed geoutilleerd museum te huisvesten. De provincie Limburg besloot daarop voor nieuwbouw te kiezen en liet Aldo Rossi het Bonnefantenmuseum ontwerpen. Het onderzoek werd later overigens tegengesproken door een studie aan de TU Eindhoven, die uitwees dat met geringe sloop en aanvullende nieuwbouw het complex uitstekend dienst zou kunnen doen als museum.

    Monument
    Uiteindelijk is slechts een gedeelte van het Wiebengacomplex, het productie- of ovengebouw, overeind gebleven. Dat niet alles gesloopt werd was te danken aan de Werkgroep Industriële Archeologie Maastricht, die dit deel van het hallencomplex juist op tijd op de monumentenlijst wist te krijgen. Toen in 1991 het productiegebouw tot monument verklaard werd, kon de dreigende sloop ervan afgewenteld worden.

    Gewapend beton
    De Wiebengahal kon tot monument verklaard worden omdat architecten en architectuurhistorici het rekenen tot een vroeg voorbeeld van het Nieuwe Bouwen. De plattegrond heeft een geometrische vorm, het skelet is van gewapend beton, en de gevels zijn opengebroken door het toepassen van grote glasvlakken die gezet zijn in stalen raamprofielen. Het gebruik van het monoliete skelet betekende een andere, nieuwe manier van bouwen. Tot dan toe werden constructiedelen van hout en ijzer op de bouwplaats in elkaar gezet. Constructies in gewapend beton daarentegen werden uit één stuk gemaakt: houten bekisting ondersteunde de nog niet verharde betonspecie en hield de constructie in de juiste vorm. Na verharding werd de kist verwijderd waarna de constructiedelen (kolom, balk en vloer) als één monoliete betonconstructie tevoorschijn kwam. Wiebenga zette met deze constructiewijze, die al wel in Frankrijk werd toegepast, de toon voor de verdere ontwikkeling van betontechniek in Nederland.

    Twijfel
    Wiebenga was in dienst van de firma Stulemeijer en Co. toen hij werkte aan het fabriekscomplex. Stulemeijer was een constructiebedrijf in gewapend beton. Wiebenga was nog maar net afgestudeerd al civiel ingenieur aan de Technische Hogeschool Delft toen hij in 1912 bij de firma in dienst trad. De fabriekshal was een van zijn eerste projecten. Hij tekende het ontwerp en voerde de berekeningen uit. Toch bestaat er twijfel over de vraag of de pas afgestudeerde Wiebenga alleen verantwoordelijk was voor het ontwerp. Al in 1911 waren de ideeën voor de nieuwe fabriek op tekening vastgelegd, waarschijnlijk door een Duitse ingenieur die bij de Societé Céramique in dienst was.

    Restaureren
    Behoud van de Wiebengahal leidde natuurlijk tot de vraag welke functie het moest krijgen. Aldo Rossi zou het pand restaureren en opnemen in de nieuwbouw van het Bonnefantenmuseum ter vergroting van de expositieruimte. Inderdaad heeft het museum de ‘casco’ gerenoveerde hal een aantal keren gebruikt voor tentoonstellingen, maar vanaf 2000 heeft het meesttijds leeg gestaan. Lang is geprobeerd om de collectie Archeologie uit het Bonnefantenmuseum in de Wiebengahal onder te brengen, maar financieel bleek dat onhaalbaar. Daarom is gezocht naar een nieuwe bestemming. Via de Gemeente Maastricht heeft de eigenaar van de Wiebengahal, de Provincie Limburg, het verkocht aan vastgoedbedrijf Vesteda, die wel de nodige investeringen kon doen voor herbestemming en verbouwing. Behalve het NAi is ook Vesteda zelf en de Stichting Restauratie Atelier Limburg in het pand gehuisvest. De verbouwing is uitgevoerd naar een ontwerp van Hubert Jan Henket.